Naamvallen Onderbouw (klas 1 t/m 3) Voornaamwoorden

Persoonlijk voornaamwoord: 1e en 4e naamval

In het Nederlands doe je het automatisch al goed, maar in het Duits moet je er even over nadenken. Hier leg ik uit hoe je de persoonlijke voornaamwoorden in de 1e en 4e naamval moet toepassen – én dat je eigenlijk maar bij 1 vorm hoeft te checken of het nou 1e of 4e naamval is!

Hoef je alleen nog maar de persoonlijke voornaamwoorden in de 1e naamval te kennen of wil je de persoonlijke voornaamwoorden in de 1e naamval oefenen? Dat kan hier!

Benodigde voorkennis
Om dit onderdeel goed te kunnen begrijpen, is het van belang dat je weet dat de 1e naamval onderwerp is en de 4e naamval lijdend voorwerp.

Máár, Duits lijkt heel erg op het Nederlands, dus is het niet altijd nodig om te puzzelen!
Wanneer je in een opdracht (mij), (hem) of bijvoorbeeld (haar) moet invullen, is het al duidelijk dat – wanneer je alleen de 1e en 4e naamval hoeft te kennen van de persoonlijke voornaamwoorden – het gaat om het lijdend voorwerp, dus de 4e naamval. Dat geldt voor bijna alle vormen. De onderstreepte vormen verschillen ten opzichte van het Nederlands.

ichikmichmij
dujijdichjou
erhijihnhem
siezijsiehaar
esheteshet
wirwijunsons
ihrjullieeuchjullie
siezijsiehen
SieuSieu
In deze tabel zie je de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits en Nederlands in de 1e naamval (onderwerp) en in de 4e naamval (lijdend voorwerp) – de onderstreepte vormen verschillen van het Nederlands.

Verschillen NL-D
Zoals je in bovenstaande tabel kunt zien, komen de vormen aardig overeen. Je moet dus eigenlijk alléén goed opletten wanneer je een vorm van “jullie” moet invullen, omdat dit de enige is die in het Duits wél verandert en in het Nederlands niet. De twee andere vormen van “sie” zijn in de 1e en 4e naamval hetzelfde, dus daar hoef je in feite de zin niet te ontleden om het juiste antwoord in te vullen.

Zullen we samen een opdracht maken?
Hieronder laat ik je zien hoe je een opdracht over het persoonlijk voornaamwoord in de 1e en 4e naamval foutloos kunt invullen.

  • Stap 1: Vul alle overduidelijke vormen met de 1e naamval (onderwerp) in – dus: letterlijke vertalingen van: ik, jij, hij, zij, het, wij + u (gezien deze toch niet verandert in de 4e naamval)
  • Stap 2: Doe nu precies hetzelfde met alle overduidelijke vormen met de 4e naamval – dus: mij, jou, hem, haar, ons, hen
  • Stap 3: Nu blijven alleen de vormen van “jullie” over, omdat deze in het Nederlands niet van vorm verschillen wanneer het onderwerp of lijdend voorwerp is.

Uitleg: Jullie lezen een boek – Ik zie jullie.

In het Duits verandert het persoonlijk voornaamwoord “ihr” [jullie] wél:

Vertaling: Ihr lest ein Buch – Ich sehe euch.

Om erachter te komen welke vorm je nou moet invullen, moet je weten om wel zinsdeel het hier gaat. Lees hiervoor onderstaande uitleg.

Hoe vind je het onderwerp in de zin?
Het onderwerp staat in directe verbinding met de persoonsvorm. De persoonsvorm is een werkwoord dat in de vorm van de persoon staat, oftewel – het onderwerp. Met de persoonsvorm kun je het onderwerp dus makkelijk vinden.
Je moet dus weten wat de persoonsvorm is. Dit kun je vinden door de zin vragend te maken.

Voorbeeld: Du hast mich heute nicht angerufen. [Jij hebt mij vandaag niet gebeld.]
Vragend: Hast du mich heute nicht angerufen? [Heb jij mij vandaag niet gebeld?]

De persoonsvorm is dus “hast” [hebt], omdat dit woord aan het begin van de zin komt te staan wanneer je deze vragend maakt. “Hast[hebt] is een vorm van “haben” [hebben] en staat in het voorbeeld in de vorm van “du” [jij] – du hast [jij hebt].

Onderwerp (1e naamval) in bovenstaande zin is dus: du [jij]

Hoe vind je het lijdend voorwerp in de zin?
Hiervoor heb je de persoonsvorm (hast), het onderwerp (du) én het gezegde voor nodig. Het gezegde zijn alle overige werkwoorden in de zin. In het voorbeeld hierboven is dat het voltooid deelwoord “angerufen”.
Met deze drie zinsdelen stel je dan de volgende vraag: Wie of wat + persoonsvorm + onderwerp + gezegde?

Voorbeeld: Wie of wat heb jij gebeld?

Het antwoord is het lijdend voorwerp (4e naamval): “mich” [mij]

Zin 5 en 10 leg ik even uit.

Zin 5
Je moet dus eerst weten wat de persoonsvorm is, om het onderwerp te kunnen vinden. Dit doe je door de zin vragend te maken. Daarna weet je ook meteen wat het onderwerp is, omdat de persoonsvorm in de vorm van het onderwerp staat. Lijdend voorwerp: wie of wat + persoonsvorm + onderwerp + gezegde.

Heb ik jullie in de buurt van het station gezien?
Persoonsvorm: heb
Onderwerp: ik
Lijdend voorwerp (wie of wat heb ik gezien?): jullie = 4e naamval “euch”

Zin 10
Deze zin is, zoals je ziet, erg kort. Wanneer er een komma in staat, kijk je alleen in het deel waar het persoonlijk voornaamwoord in staat. Er staat maar 1 werkwoord en 1 persoonlijk voornaamwoord in deze zin, waardoor het onderwerp moet zijn. Een zin zonder onderwerp is niet mogelijk, dit is dus eigenlijk een weggevertje.

Waar blijven jullie?
Persoonsvorm: blijven
Onderwerp: jullie = 1e naamval “ihr”

Conclusie
Om dit onderdeel foutloos te kunnen invullen moet je ten eerste de vertalingen van de persoonlijke voornaamwoorden in de 1e en 4e naamval kennen. Daarna kun je alle voor de hand liggende vormen zó invullen en hoef je alléén bij de vertaling van “jullie” na te denken of het om de 1e of 4e naamval gaat.

Laat je mij weten of je het nu beter begrijpt? Succes met leren!

Over auteur

• Tiffany Roggenthien
• 32 jaar
• Native-speaker
° Duits docente sinds 2012 op het voortgezet onderwijs vmbo/havo/vwo zowel onder- als bovenbouw

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.