Onderbouw (klas 1 t/m 3) Vaardigheden

Woordjes leren (mét bijhorend lidwoord)

Der, die of das? Vind je het lastig om te onthouden welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort? Probeer dit eens!

Wat heb je nodig?
3 vellen papier
3 stiften in verschillende kleuren
pen
schrift

Wat ga je doen?
Sorteer de woordjes op geslacht en gebruik per geslacht een andere kleur, zodat alle mannelijke woorden bij elkaar staan, alle vrouwelijke woorden bij elkaar en uiteraard alle onzijdige woorden bij elkaar.

Voorbeeld:

der Sportplatz
der Schlittschuh

der Verein
der Fußball
der Ski

die Reithalle
die Kraft
die Leichtathletik
die Mannschaft
die Weltmeisterschaft

das Pferd
das Schwimmbad
das Spiel
das Training
das Ziel

Wat is de volgende stap?
Nu je de woordjes overzichtelijk in kleur hebt gesorteerd, schrijf je ze een paar keer over. Let wel op: gebruik steeds de kleur die jij voor het bepaalde geslacht hebt gekozen. Op deze manier visualiseer je het geslacht van het woord. Door de kleur met het woord te verbinden in je hoofd, kun je dit makkelijker onthouden op de toets.

Extra tip:
Bedenk een kort verhaaltje in je hoofd aan de hand van de gebruikte woordjes, dit hoeft geen logisch of mooi verhaal te zijn natuurlijk. Het gaat erom dat jij de lidwoorden onthoudt!

Voorbeeld (bovenstaande vrouwelijke woorden): Het meisje in de manege had zoveel kracht, dat ze liever op atletiek ging. Nu zit ze in een elftal en doet mee aan het wereldkampioenschap.


Planning
Het beste resultaat behaal je wanneer je regelmatig bezig bent met het leren van de woordjes. Een werkweek (5 dagen) van te voren beginnen met het voorbereiden op je toets, zou je als volgt kunnen doen:

Dag 1: Sorteer de woordjes op geslacht en schrijf ze in 3 verschillende kleuren op. Lees de woorden een paar keer (hardop) door. Bedenk eventueel een kort verhaaltje (zoals bij de extra tip).

Dag 2: Schrijf op dezelfde blaadjes de woordjes nóg een keer op. Gebruik uiteraard weer dezelfde kleur en lees de woorden weer (hardop) door. Weet jij je verhaaltje van gisteren nog?
Schrijf de 10 moeilijkste woorden op een ander blaadje en gebruik hiervoor een neutrale kleur, bijvoorbeeld je normale pen die je ook op school gebruikt.

Dag 3: Maak de overhoring die je gisteren voor jezelf hebt gemaakt. Hoe ging het? Kijk goed na welke fouten je hebt gemaakt. Schrijf de woorden die je fout had opnieuw op een blaadje en zet er nieuwe woorden bij, zodat je weer in totaal 10 woorden hebt opgeschreven: dit wordt de overhoring voor morgen.
Schrijf de woordjes allemaal nog 1x over in de bijhorende kleurtjes en lees ze nog 1x door. Weet jij je verhaaltje van dag 1 nog?

Dag 4: Maak opnieuw de overhoring die je gisteren voor jezelf hebt gemaakt. Heb je weer dezelfde fouten gemaakt of heb je ervan geleerd? Mocht je weer wat foutjes hebben gemaakt, schrijf je deze woordjes weer op een apart blaadje en vul je je nieuwe overhoring aan met andere woordjes, nu maak je er 20 in totaal van.
Schrijf de woordjes allemaal nog 1x over in de bijhorende kleurtjes en lees ze nog 1x door. Herhaal je verhaaltje nog een keer.

Dag 5: Je maakt eerst de overhoring van gisteren (20 woordjes) en kijkt daarna weer goed na. Heb je fouten gemaakt? Schrijf deze woorden nog 3x op en lees ze voor aan je (stief) vader/moeder/boer/zus, opa, oma, vriend of vriendin. Wanneer je over een bepaald woordje praat en bijvoorbeeld bespreekt dat het ergens op lijkt, blijft het sneller hangen.

Dan wens ik jou heel veel succes bij jouw toets en dan ben ik ook erg benieuwd of jou deze methode heeft geholpen! Laat je mij dit weten?

Over auteur

• Tiffany Roggenthien
• 32 jaar
• Native-speaker
° Duits docente sinds 2012 op het voortgezet onderwijs vmbo/havo/vwo zowel onder- als bovenbouw

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.