Bovenbouw (klas 4 t/m 5) Grammatica Onderbouw (klas 1 t/m 3) Werkwoorden

Voltooid deelwoord Duits

Wat is een voltooid deelwoord?
Een voltooid deelwoord is een werkwoord in combinatie met het werkwoord “hebben” of “zijn”. Je gebruikt deze vorm wanneer je iets wilt vertellen dat al is gebeurd.

Voorbeeld: Ik ben naar school geweest.

Overeenkomsten en verschillen Nederlands – Duits
Gelukkig lijkt het voltooid deelwoord in het Duits veel op het Nederlands. Je gebruikt in het Duits in de meeste gevallen ook hetzelfde hulpwerkwoord (haben of sein) als in het Nederlands (hebben of zijn).

Voorbeelden:
Ik heb gewerkt. / Ich habe gearbeitet.
Het is gebeurd. / Es ist passiert.

Daarnaast eindigen voltooide deelwoorden van sterke werkwoorden in het Duits ook op -en. Dat is in het Nederlands ook zo, kijk maar:

Voorbeelden:
Ik heb geslapen. / Ich habe geschlafen.
De sneeuw is gesmolten. / Der Schnee ist geschmolzen.

Wanneer een werkwoord, zowel in het Duits als ook in het Nederlands, begint met ver-, ge- of be-, vervalt in de voltooide tijd de ge-. Dit is ook een overeenkomst! De voorbeelden staan hieronder:

Voorbeelden:
Ik heb betaald. / Ich habe bezahlt.
Ik heb verdiend. / Ich habe verdient.

Uiteraard zijn er wél verschillen tussen het voltooid deelwoord in het Duits en in het Nederlands. Zo vervalt de ge- van het Duitse voltooid deelwoord, wanneer het werkwoord eindigt op -ieren. In het Nederlands (-eren) is dit niet zo!

Voorbeelden:
Ik heb gereageerd. / Ich habe reagiert.
Ik heb gestudeerd. / Ich habe studiert.


Voltooid deelwoord van haben en sein
De vormen van het voltooid deelwoord van de werkwoorden hebben en zijn, zijn in het Nederlands ook anders dan die van regelmatige of sterke werkwoorden. In het Duits is dit uiteraard ook zo:

Voorbeelden:
Ik heb gehad. / Ich habe gehabt.
Ik ben geweest. / Ich bin gewesen*.

* Let op! In het Duits eindigt het voltooid deelwoord van het werkwoord sein op -en.

Basisregel voltooid deelwoord Duits (zwakke werkwoorden)
De basisregel voor het voltooid deelwoord voor zwakke werkwoorden is als volgt:

ge + stam + (e)t

Wanneer gebruik je de ‘e’ die tussen haakjes staat? Wanneer het anders niet uit te spreken is: wanneer de stam van het werkwoord bijvoorbeeld eindigt op -t/-d of -medeklinker+n.

hele werkwoordstam(e)tvoltooid deelwoord
wohnenwohntgewohnt
redenredetgeredet
guckengucktgeguckt
regnenregnetgeregnet

Zie je dat de werkwoorden “reden” en “regnen” in de voltooide tijd zonder de extra e niet uit te spreken zijn? Dan zou je namelijk “geredt” of “geregnt” moeten zeggen en dat kan natuurlijk niet, omdat je in het Duits alle letters moet kunnen uitspreken.

Basisregel voltooid deelwoord Duits (sterke werkwoorden)
Zoals helemaal bovenaan dit artikel genoemd, eindigt het voltooid deelwoord van een sterk werkwoord in het Duits (net als in het Nederlands) op -en.

ge + stam + en

Helaas krijg je wel te maken met onvoorspelbare klankwisselingen, wat wederom overeenkomt met het Nederlands. Dát de klank verandert van een bepaald sterk werkwoord in het Duits is wel voorspelbaar, de klank zelf helaas niet.

Belangrijke tip: verandert de klank van het werkwoord in de voltooide tijd in het Nederlands? Dan is dit in het Duits meestal ook zo! Kijk maar:

Voorbeelden:
slapen – geslapen / schlafen – geschlafen
drinken – gedronken / trinken – getrunken
lezen – gelezen / lesen – gelesen
ruiken – geroken / riechen – gerochen

Je ziet hierboven dus, dat wanneer de klank in het Nederlands verandert, dat in het Duits ook zo is. Helaas is het niet altijd dezelfde dezelfde klank als in het Nederlands. Hierdoor voeg ik een lijst van sterke werkwoorden en de vervoegingen hiervan in de voltooide tijd, aan het einde van dit artikel toe.

Wil je oefenen met het voltooid deelwoord in het Duits?
Na het invullen van je antwoorden krijg je de correctie met evt uitleg erbij te zien. Succes met oefenen!

Voltooid deelwoord Duits (zwak) oefenen
Voltooid deelwoord Duits (sterk) oefenen

Lijst van sterke werkwoorden Duits in de voltooide tijd

hele werkwoorder/sie/es tegenwoordige tijder/sie/es
verleden tijd
voltooid deelwoordNederlands
befehlenbefiehltbefahlhat befohlenbevelen
beginnenbeginntbegannhat begonnenbeginnen
beißenbeißtbisshat gebissenbijten
beschreibenbeschreibtbeschriebhat beschriebenbeschrijven
bietenbietetbothat gebotenbieden
bindenbindetbandhat gebundenbinden
bleibenbleibtbliebist gebliebenblijven
brechenbrichtbrachhat gebrochenbreken
dürfendarfdurftehat gedurftmogen
empfangenempfängtempfinghat empfangenontvangen
empfehlenempfiehltempfahlhat empfohlenaanbevelen
empfindenempfindetempfandhat empfunden(ge)voelen
erschreckenerschrickterschrakist erschrockenschrikken
erziehenerziehterzoghat erzogenopvoeden
essenissthat gegesseneten
fahrenfährtfuhrist gefahrenrijden
fallenfälltfielist gefallenvallen
fangenfängtfinghat gefangenvangen
fernsehensieht fernsah fernhat ferngesehennaar de televisie kijken
findenfindetfandhat gefundengeraken
fliegenfliegtflogist geflogenvliegen
fliehenfliehtflohist geflohenvluchten
fließenfließtfloßist geflossenvloeien
frierenfriertfrorhat gefrorenhet koud hebben
gebengibtgabhat gegebengeven
gefallengefälltgefielhat gefallenbevallen
gehengehtgingist gegangengaan
gelingengelingtgelangist gelungen(ge)lukken
genießengenießtgenosshat genossengenieten (van)
geschehengeschiehtgeschahist geschehengebeuren
gewinnengewinntgewannhat gewonnenwinnen
gießengießtgosshat gegossengieten
gleichengleichtglichhat geglichenlijken op
greifengreiftgriffhat gegriffengrijpen / vatten
habenhathattehat gehabthebben
haltenhälthielthat gehaltenstoppen
hängenhängthinghat gehangenhangen
heißenheißthießhat geheißenheten
helfenhilfthalfhat geholfenhelpen
kommenkommtkamist gekommenkomen
könnenkannkonntehat gekonntkunnen
kriechenkriechtkrochist gekrochenkruipen
ladenlädtludhat geladenladen
lassenlässtließhat gelassenlaten
laufenläuftliefist gelaufenlopen
leidenleidetlitthat gelittenlijden
leihenleihtliehhat geliehenlenen
lesenliestlashat gelesenlezen
liegenliegtlaghat gelegenliggen
lügenlügtloghat gelogenliegen
mögenmagmochtehat gemochtmogen
müssenmussmusstehat gemusstmoeten
nehmennimmtnahmhat genommennemen
pfeifenpfeiftpfiffhat gepfiffenfluiten
ratenrätriethat geratenraden
reißenreißtrisshat gerissenscheuren / trekken
reitenreitetritthat gerittenrijden
riechenriechtrochhat gerochenruiken
rufenruftriefhat gerufenroepen
scheinenscheintschienhat geschienenschijnen / blinken
schiebenschiebtschobhat geschoben(voort)duwen
schießenschießtschosshat geschossenschieten
schlafenschläftschliefhat geschlafenslapen
schlagenschlägtschlughat geschlagenverslaan
schließenschließtschlosshat geschlossensluiten
schneidenschneidetschnitthat geschnittensnijden
schreibenschreibtschriebhat geschriebenschrijven
schreienschreitschriehat geschrieenschreeuwen
schreitenschreitetschrittist geschrittenstappen
schweigenschweigtschwieghat geschwiegenzwijgen
schwimmenschwimmtschwammist geschwommenzwemmen
sehensiehtsahhat gesehenzien
seinistwarist gewesenzijn
singensingtsanghat gesungenzingen
sinkensingtsankist gesunkenzinken
sitzensitztsaßhat gesessenzitten
sollensollsolltehat gesolltmoeten
sprechensprichtsprachhat gesprochenspreken
springenspringtsprangist gesprungenspringen
stehenstehtstandhat gestandenstaan
stehlenstiehltstahlhat gestohlenstelen
steigensteigtstiegist gestiegenstijgen
sterbenstirbtstarbist gestorbensterven
streitenstreitetstritthat gestrittenkibbelen
tragenträgttrughat getragendragen
treffentriffttrafhat getroffenontmoeten
tretentritttratist getretenstappen
trinkentrinkttrankhat getrunkendrinken
trügentrügttroghat getrogenbedriegen
tuntuttathat getandoen
unterbrechenunterbrichtunterbrachhat unterbrochenonderbreken
unternehmenunternimmtunternahmhat unternommenondernemen
verbietenverbietetverbothat verbotenverbieden
verderbenverdirbtverdarbist verdorbenbederven
vergessenvergisstvergaßhat vergessenvergeten
verlassenverlässtverließhat verlassenverlaten
verlierenverliertverlorhat verlorenverliezen
vermeidenvermeidetvermiedhat vermiedenvermijden
verzeihenverzeihtverziehhat verziehenvergeven
wachsenwächstwuchsist gewachsengroeien
waschenwäschtwuschhat gewaschenwassen
weichenwreichtwichhat gewichenweken
werbenwirbtwarbhat geworbenadverteren
werdenwirdwurdeist gewordenworden
werfenwirftwarfhat geworfengooien
wiegenwiegtwoghat gewogenwiegen / schommelen
wissenweißwusstehat gewusstweten
wollenwillwolltehat gewolltwillen
wringenwringtwranghat gewrungen(uit)wringen
ziehenziehtzogist gezogentrekken
zwingenzwingtzwanghat gezwungendwingen

Interesse in online bijles Duits of online examentraining Duits? Klik voor meer informatie.

Over auteur

• Tiffany Roggenthien
• 34 jaar
• Native-speaker
• Eerste graads docente Duits
° Werkzaam in het onderwijs sinds 2012; vmbo/havo/vwo zowel onder- als bovenbouw