Bovenbouw (klas 4 t/m 5) Grammatica Naamvallen Oefeningen Onderbouw (klas 1 t/m 3)

Werkwoorden 3e en 4e naamval oefenen

Werkwoorden kunnen ook de naamval bepalen. Anders dan bij voorzetsels, hoeven werkwoorden niet direct vóór of áchter het betreffende woord te staan. Het werkwoord staat wel inhoudelijk in verbinding met het te vervoegen woord.
In onderstaande oefening staan alleen werkwoorden met de 3e of 4e naamval.

Hieronder staan 10 zinnen met telkens een werkwoord van de 3e óf 4e naamval erin.
Vul het juiste woord in.
Klik op "volgende" om te beginnen, succes!

Welke werkwoorden horen bij welke naamval?

V – W – O

  • 1e naamval: sein, werden, bleiben
    Voorbeeld: Meine Mutter war früher immer die beste Schülerin.
  • 3e naamval: begegnen, danken, folgen, gefallen, gehören, glauben, gratulieren, helfen
    Voorbeeld: Gestern habe ich meinem Vater zum Geburtstag gratuliert.
  • 4e naamval: fragen, bitten, es gibt, interessieren, kosten, lehren
    Voorbeeld: Hast du deinen Bruder schon gefragt ob er uns morgen abholen kann?

Persoonlijke voornaamwoorden, der-groep en ein-groep

In onderstaande opdracht staan zowel persoonlijke voornaamwoorden, woorden uit de der- én woorden uit de ein-groep. Info over de persoonlijke voornaamwoorden vind je hier en de uitgangen van de der- en ein-groep hier.

Meer informatie over het bepalen van de juiste naamval

Uitgebreide uitleg over het bepalen van de juiste naamval vind je hier.

Over auteur

• Tiffany Roggenthien
• 32 jaar
• Native-speaker
° Duits docente sinds 2012 op het voortgezet onderwijs vmbo/havo/vwo zowel onder- als bovenbouw

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.