Bovenbouw (klas 4 t/m 5) Naamvallen Onderbouw (klas 1 t/m 3)

Naamvallen (1e, 2e, 3e én 4e)

Het meest gevreesde grammatica onderdeel van het vak Duits. Hoewel dit in mijn ogen helemaal niet nodig is. Naamvallen zijn namelijk gewoon zinsdelen en hier is weinig engs aan. Zinnen ontleden leer je in Nederland op de basisschool en natuurlijk vindt de één het moeilijker dan de ander, maar het is zeker niet onmogelijk om dit te leren.

Ja, het leren van alle uitgangen (uit je hoofd) is niet bepaald leuk, maar ook dat hoeft niet lastig te zijn. Er zijn hier namelijk ook een heleboel ezelsbruggetjes en tips voor.

Op dit moment heb ik nog niet alle informatie over naamvallen behandeld, hier ga ik de komende tijd nog mee bezig en dan zal ik deze pagina updaten. Ontbrekende informatie is bijvoorbeeld: bijvoeglijke naamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden.

Hieronder kun je een aantal filmpjes met uitleg bekijken over de theorie.
In het eerste filmpje vertel ik over wat naamvallen zijn, welke voorzetsels, werkwoorden en zinsdelen je moet kennen en laat ik zien hoe de uitgangen van de der- en ein-groep eruit zien.
Het tweede filmpje gaat over de keuzevoorzetsels en het derde filmpje over de 7/2-regel.

De screenshots met theorie vind je onder de filmpjes met uitleg.

Houd áltijd deze volgorde aan. Kijk dus éérst naar eventuele voorzetsels in de zin, daarna werkwoorden en pas daarna (als er dus géén voorzetsels en werkwoorden die een naamval bepalen in staan) ga je de zin ontleden.

Hiernaast zie je alle voorzetsels die een naamval bepalen. Probeer deze uit je hoofd te leren met behulp van de ezelsbruggetjes.

Let op: kijk nog even de extra uitleg over de keuzevoorzetsels / kastwoordjes als je deze ook moet kennen!

Staat er geen voorzetsel direct vóór – of ‘entlang’ direct áchter het te vervoegen woord? Dan ga je op zoek naar vormen van deze werkwoorden.

Persoonsvorm: werkwoord dat in de vorm staat van het onderwerp – wanneer je de zin vragend maakt, komt deze vóóraan te staan.

Onderwerp: hoort bij de persoonsvorm.

Lijdend voorwerp: wie of wat + persoonsvorm + gezegde? (gezegde = alle resterende werkwoorden in de zin)

Meewerkend voorwerp: aan/voor wie + persoonsvorm + onderwerp + gezegde?

Bezitsconstructie: vertaal de Duitse zin letterlijk naar het Nederlands en kijk waar het woord ‘van’ ontbreekt. Het zinsdeel dat aangeeft wie in het bezit is van iets, is de bezitsconstructie. Dus:
“Das Auto meiner Mutter” [De auto van mijn moeder]. Wie is hier in het bezit van iets? Mijn moeder, want zij heeft de auto.
Bezitsconstructie is hier dus: meiner Mutter

Heb je nog een vraag over naamvallen? Is er nog iets wat je nog niet helemaal begrijpt? Neem gerust contact op met mij!

Over auteur

• Tiffany Roggenthien
• 32 jaar
• Native-speaker
° Duits docente sinds 2012 op het voortgezet onderwijs vmbo/havo/vwo zowel onder- als bovenbouw

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.